Inleiding |

inleiding |

In dit hoofdstuk leer je hoe soorten ontstaan en hoe ze leven in relatie met hun omgeving. Die kennis is de basis voor natuurbeheer en soortsbescherming.
Linneaus
© onbekend
In de eerste paragraaf wordt duidelijk dat je soorten kunt indelen volgens een hirarchisch systeem, elke eenheid in dat systeem heet een taxon. Elke soort heeft een soortnaam, die weer bestaat uit een genusnaam en een soortsaanduiding . Individuen zijn van dezelfde soort wanneer ze samen vruchtbare nakomelingen (kunnen) krijgen. Individuen van een soort leven in bepaalde groepen bij elkaar; de populatie of voortplantingsgroep. Binnen een populatie zijn de individuen daardoor genetisch meer verwant met elkaar dan met individuen uit andere populaties. In paragraaf 2 wordt uitgelegd hoe evolutie van een soort kan plaatsvinden en welke factoren daar veel mee te maken hebben. Evolutie berust op variatie in het erfelijke eigenschappen binnen een soort en op het doorgeven van de meest gunstige hiervan aan de volgende generatie. Adaptatie aan abiotische factoren en seksuele isolatie zijn oorzaken van soortvorming. Seksuele isolatie kan duidelijker worden door de volgende bron te bekijken: Behalve door abiotische factoren is er ook selectie door biotische factoren, paragraaf 3 gaat hier dieper op in. Inter - en intraspecifieke relaties tussen organismen zijn biotische factoren die een grote rol spelen bij de soortsvorming. Door co-evolutie wordt een interspecifieke relatie steeds inniger. Een soort heeft baat bij een relatie met een andere soort als die relatie meer nakomelingen oplevert. Er zijn verschillende samenlevingsvormen te onderscheiden, onder andere: mutualisme en commensalisme. Paragraaf 4 Specialisatie beperkt de interspecifieke competitie. Geen enkele soort doet alles op precies dezelfde manier, plaats of tijd als een andere soort. De soorteigen, functionele plaats in een biotoop is de niche van een soort. Elke soort bezit een niche en een habitat. De habitat is de plaats waar de niche bevindt. Een niche is het resultaat van aanpassing en selectie. Alle organismen van de verschillende soorten die in een ruimte leven, vormen met elkaar een levensgemeenschap. Introducties van exoten in nieuwe gebieden kunnen inheemse levensgemeenschappen veranderen.
De heide
© onbekend
Paragraaf 5 gaat over de ontwikkeling van een gebied van pionier-stadium tot climax-stadium . Als een gebied in pionier-stadium is, zijn er veel individuen van dezelfde soort aanwezig. Naarmate de successie voortduurt, vinden ook soorten met een langere levensduur een plek. Ongeveer 60 jaar na de eerste kolonisatie ontstaat er een climax-stadium ; een complex ecosysteem. In een climax-stadium is de biodiversiteit aan soorten groot, maar er zijn veel minder individuen per soort dan in een pionierstadium. Dispersie en een goede infrastructuur bevorderen de biodiversiteit en kunnen plaatselijk uitsterven voorkomen.
Het bos
© onbekend