Inleiding | Stofwisseling

inleiding | Stofwisseling

Stofwisseling is het totaal van alle chemische processen in een organisme. Dus bij de vorming van nieuwe stoffen of bij het vrijmaken van energie vindt stofwisseling plaats. Alle veranderingen van stoffen die in je lichaam plaatsvinden worden bij elkaar de stofwisselingsprocessen genoemd. Stofwisselingsprocessen kan je in twee groepen indelen: de assimilatieprocessen en de dissimilatieprocessen. Bij assimilatie worden organische moleculen opgebouwd uit kleinere moleculen. Het doel hiervan is het opbouwen van organische stoffen waaruit een organisme bestaat. Een voorbeeld van assimilatie is: koolstofassimilatie en voortgezette assimilatie. Koolstofassimilatie is de vorming van glucose en zuurstof uit koolstofdioxide en water. Een andere naam voor koolstofassimilatie is fotosynthese. Voortgezette assimilatie is de vorming van andere stoffen uit glucose. De stoffen die onder andere gevormd kunnen worden zijn; koolhydraten, vetten en eiwitten. Bij dissimilatie worden organische moleculen afgebroken tot kleinere moleculen. Het doel hiervan is het vrijmaken van energie. Deze energie komt vrij in verschillende vormen, bijvoorbeeld kinetische energie of warmte. De energie kan ook worden vastgelegd als chemische energie. Meestal word door dissimilatie van glucose energie vrijgemaakt. De dissimilatie van glucose kan aëroob (met zuurstof) of anaëroob (zonder zuurstof). Bij aërobe dissimilatie worden glucosemoleculen helemaal afgebroken, er worden koolstofdioxide en watermoleculen gevormd. Voor het grootste gedeelte vindt de aërobe dissimilatie van glucose plaats in mitochondriën. Bij anaŽrobe dissimilatie worden glucosemoleculen niet helemaal afgebroken. In de eindproducten zit nog veel energie. Er komt dan ook veel minder energie vrij dan bij aŽrobe dissimilatie. Voorbeelden van anaŽrobe dissimilatie zijn: alcoholgisting en melkzuurgisting.Er word in een organisme niet alleen glucose gedissimileerd. Er worden ook koolhydraten, vetten en eiwitten gedissimileerd.