Inleiding | Stevigheid en beweging

inleiding | Stevigheid en beweging

Deze inleiding gaat over Stevigheid en beweging en gaat in grote lijnen over de spieren en botten, die het lichaam stevigheid geven, en waardoor het lichaam kan bewegen, en dan voornamelijk bij de mens. De meeste dieren hebben iets in hun lichaam wat ze stevigheid geeft, inwendig en uitwendig, hetzij botten, hetzij een schelp, hetzij een schild of iets dergelijks. Stevigheid is belangrijk voor dieren, want dierlijke cellen hebben geen celwand zoals planten, wat dieren eigenlijk best slap maakt, dus dieren moeten hun stevigheid ergens anders vandaan halen. Zoogdieren (bijvoorbeeld een hond) hebben meestal botten (inwendig), en de meeste weekdieren (bijvoorbeeld een slak) hebben een schelp (uitwendig) en insecten (bijvoorbeeld een mier) hebben een harde huid (uitwendig), een soort schild. Botten zijn best ingewikkeld opgebouwd, maar daar gaan jullie het nog niet over hebben. Maar wat wel belangrijk is, is dat jullie goed weten hoe de botten in het menselijk lichaam in elkaar steken. Het skelet bied voor de mens stevigheid, bescherming en vormgeving. Als een mens geen skelet zou hebben, zou die zo in elkaar zakken en vormloos zijn. De schedel bied bescherming voor de hersenen en gedeeltelijk voor de ogen, de nekwervels en ruggenwervels bieden bescherming voor de zenuwen die daar lopen, de borstkas bied bescherming voor de longen en het hart, en zo zijn er nog wel meer onderdelen van het menselijk skelet die voor een of ander orgaan bescherming bieden. Maar dieren moeten natuurlijk ook bewegen, daarvoor hebben dieren spieren. Spieren vind je overal terug, niet alleen bij natuurlijk 'spierballen' en 'wasbordjes' maar ook in het hart en de bloedvaten. Je hebt verschillende soorten spieren; glad spierweefsel (bijvoorbeeld bij het verteringskanaal) en dwarsgestreept spierweefsel (bijvoorbeeld bij de skeletspieren). Die hebben allebei weer verschillende functies. Skeletspieren zijn verdeeld in snelle vezels en langzame vezels, de verhouding daarvan is onder andere erfelijk bepaald, maar door veel te sporten en te trainen kan een andere verhouding bereikt worden. Bijvoorbeeld bij hardlopers (marathon) en 100 meter sprinters, hardlopers hebben veel langzame vezels, omdat ze een lang uithoudingsvermogen moeten hebben voor hun sport. 100 meter sprinters daarentegen moet een hele grote en korte krachtinspanning uitoefenen op hun lichaam, en zij kunnen door veel te trainen een groter gehalte aan snelle spiervezels maken. Marathonlopers hebben heel weinig gewicht nodig voor hun sport, ze kunnen het niet echt gebruiken om zwaar gebouwd te zijn. En 100 meter sprinters die zijn altijd heel gespierd omdat ze een korte, krachtige inspanning moeten leveren, en daar dus heel veel spierweefsel voor nodig hebben. Dus kortom, stevigheid en beweging zijn hele belangrijke eigenschappen voor een dier.