Inleiding | Ecologie

inleiding | Ecologie

Biotische, abiotische factoren en samenlevingsvormen. Elk organisme wordt door zijn milieu be´nvloed, invloeden die afkomstig zijn vanuit de levende natuur zijn biotische factoren. Voorbeelden van biotische factoren zijn: Soortgenoten, predatoren (roofdieren), prooidieren en ziekteverwekkers. Verder worden organismes be´nvloed door abiotische factoren, invloeden uit de levenloze natuur. Voorbeelden hiervan zijn: het klimaat, de bodemgesteldheid, temperatuur, zuurstofgehalte, zoutgehalte, licht en stroming. Elk organisme zoekt de samenlevingsvorm waar hij of zij het beste in kan functioneren. Veel dieren leven in een populatie. Dit is een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die samen een voortplantingsgemeenschap vormen. Elke populatie maakt onderdeel uit van een leefgemeenschap, dit zijn alle biotische factoren in een ecosysteem. Het ecosysteem op zich gaat nog een stap verder. Een ecosysteem is een natuurlijk begrensd deel van de biosfeer. Uiteindelijk maakt elk organisme deel uit van de biosfeer, het gedeelte van aarde en de atmosfeer dat door organismen wordt bewoond. Een ecosysteem is constant in verandering. Het eerste ecosysteem dat ontstaat op een onbegroeid terrein wordt pionierecosysteem genoemd. Met behulp van humus treedt er bodemvorming op dat zich weer verder ontwikkeld dit proces wordt successie genoemd, de verandering van de soortensamenstelling van een levensgemeenschap zodat deze geleidelijk in de ander overgaat. Als het laatste stadium van de successie klaar is wordt het ecosysteem een climaxecosysteem genoemd. Nederland kent veel ecosystemen, de bekendste zijn: Duingebieden, loofbos, naaldbos, heide en plassen. Loofbos is het natuurlijke climaxecosysteem in het grootste deel van Nederland. Voor al deze ecosystemen geldt dat ze zijn opgebouwd uit verschillende lagen vegetatie (begroeiing). Overleving van het individu. Elk individu van de populatie wil voldoende voedsel hebben om te kunnen overleven. De populatiedichtheid (het aantal individuen per oppervlakte-eenheid/ volume-eenheid) mag daarom niet te groot worden en schommelt altijd rond het biologische evenwicht. Dit biologische evenwicht wordt gehandhaafd door negatieve terugkoppeling. Als de populatiedichtheid te groot wordt nemen de (a)biotische factoren toe waardoor de populatiedichtheid vanzelf weer afneemt. De populatiedichtheid kan ook toenemen doordat een populatie groeit. Een populatie kan op verschillende manieren toenemen, bijvoorbeeld als zich een nieuwe soort vestigt in een ecosysteem. De maximale populatiegrootte, ook wel draagkracht genoemd, moet wel gehandhaafd kunnen worden. Wij mensen kunnen een populatiegroei waarnemen door te kijken naar het geboorte- en sterftecijfer en de immigratie en emigratie van het aantal individuen van een populatie. In een leefgemeenschap spelen competitie en co÷peratie een belangrijke rol, dit kan zijn binnen een populatie of tussen verschillende populaties. Competitie betekent concurrentie, hierbij kan het gaan om voortplanting, voedsel of natuurlijke selectie (de sterkste overleven). Co÷peratie is samenwerking bij bijv. voortplanting of voedsel. Verder kan er bij verschillende soorten spraken zijn symbiose. Dat houdt in dat individuen van verschillende soorten langdurig samenleven. Dit kan verschillende oorzaken hebben: Beide soorten hebben er voordeel van (mutualisme), de individuen van de ene soort hebben voordeel, de ander geen voordeel en geen nadeel (commensalisme) of er kan spraken zijn van parasitisme. Hierbij leeft een parasiet op een individu van een ander soort en ontrekt daar zijn voedsel aan. Natuurlijk hebben veel abiotische factoren ook invloed op de populatie groei. De belangrijkste abiotische factoren zijn: Temperatuur, licht, lucht, water en bodemgesteldheid. De tolerantie van het organisme bepaald hoe goed het individu in staat is om schommelingen in deze abiotische factoren te kunnen verdragen. Soorten met een grote tolerantie hebben daarom een groter verspreidingsgebied.