Inleiding | Ordening

inleiding | Ordening


© Laila Kee

Biologen hebben altijd al alle levende organismen willen indelen in groepen. De taxonomie stelt de regels van het ordenen op en een systematicus verdeeld ze onder de verschillende groepen. Tot halverwege vorige eeuw werd dit gedaan met het twee rijkensysteem. De twee rijken, planten en dieren, werden door middel van een aantal simpele indelingscriteria onderscheiden.Maar toen er steeds meer micro-organismen werden ontdekt werden de 2 rijken aangevuld met nog drie. Zo werd het een vijf rijkensysteem bestaande uit: Planten, dieren, schimmels, virussen en bacterien. De indelingscriteria zijn gebaseerd op: het aantal cellen, celgrootte, organellen, celwand en voedingswijze. Elk rijk heeft zijn onderverdeling in afdeling, klasse, orde, familie, geslacht en soort. Te onthouden met het ezelsbruggetje ‘ak of gs?’.

De defenitie van een soort is meestal: organismen behoren tot dezelfde soort als ze zich onderling voortkunnen planten en het nageslacht vruchtbaar is. In de meeste gevallen voldoet deze defenitie.. Linnaeus was die eerste die met de wetenschappelijke naamgeving begon, de binaire naamgeving. De eerste naam is de geslachtsnaam en wordt geschreven met een hoofdletter, de tweede naam is de soortnaam.

Bacterienzijn eencellig, hetrotroof of autotroof en prokaryoot(geen celkern) en hebben één cirkelvormig chromosoom, bestaande uit één cirkelvorminge streng DNA. Sommige bacterien hebben daarnaast ook nog plasmiden, kleinere cirkelvormige choromosomen. Bacterien planten zich ongeslachtelijk voort door middel van deling. Bij bacterien kan uitwisseling van genen plaatsvinden, dit wordt conjungatie genoemd.

Schimmels zijn autotroof, eencellig of veelcellig. Veelcellige schimmels bestaan meestal uit lange draden, hyfen genoemd. Een netwerk van die draden heet mycelium. Eencellige schimmels planten zich voort door deling. Veelcellige schimmels planten zich meestal voort door sporen De voortplanting is geslachtelijk of ongeslachtelijk, de sporen zijn altijd haploid. Als er geslachtelijke voortplanting plaatsvindt onstaat er een cel met twee kernen, die groeit vervolgens uit tot een paddenstoel. In de paddenstoel versmelten de kernen, waarna meiose plaatsvindt en de haploide sporen onstaan.

Planten worden onderverdeeld in vijf afdelingen. Wieren, mossen, paardenstaarten, varens en zaadplanten. Alle afdelingen zijn autotroof. Ze planten zich voort door sporen of zaden. Planten zijn eencellig of veelcellig. Kenmerkend aan planten is de celwand en het chlorofyl.

Dieren zijn allemaal hetrotroof, bijna allemaal diploid, eencellig of veelcellig en planten zich ongeslachtelijk(eencellige dieren) of geslachtelijk voort. Het dierenrijk bestaat uit vijf afdelingen: Sponzen, holtedieren, eencellige,geleedpotigen , rondwormen, ringwormen, platwormen, stekelhuidigen, weekdieren en gewervelden.